een ladder tegen de boom
laten leunen, zo dat ik het minst moeilijk
de laatste twee lange loten tegemoet kan treden
ik snoei op een naar buiten gerichte knop,
een nieuw gestel voor pruimenvolrijp,
het lot als een staart rechtovereind
bloed na in witkalk en lijm
je zingschudden, je vreugde, je wiebelende wil
je grenzeloze bijna barsten uit je evenwicht – vooruit
je verplaatsende stip op de horizon
je jacht, je voorstaan en – hier – wachten
je dromen, je adem en je stilte
je hechting
ik kies
een open kroon en jij
likt mijn wond