Geworteld in de modder op het veld
waar kraaien roeken met de winden mee
knol-diep onder een witte bloemenzee
in ruwe aangeaarde rug bekneld
belanden op het bord en uitgeteld
verschijnen in een veilig avg,
als friet, in soep geprutteld, als puree
de lichtgeelvlezig ondergrondse held,
als stengelknol vol zetmeel en venijn,
een middenmaat, met schade in de nacht.
Ik spruit mij, pit mij, bint mij blauw en bond
zo schoon als koning Pieper maar kan zijn
vrijogig vlak de gele jas vol kracht
robuust stabiel uit trots verlichte grond.