Terwijl ik in de schuur rommel in een poging de zeis te vinden om de slootkant weer enigszins bereikbaar te maken en de groei van het riet dit jaar eens wel voor te blijven, zoekt Tijs aan de keukentafel alle lego-petjes bij elkaar en legt ze in een rechte lijn voor zich neer.
‘Wil jij ook een petje, papa?’, vraagt Tijs als ik de keuken binnenloop.
‘Ja, ik wil ook wel een petje, een geel petje.’
‘Wil jij een geel petje, papa?’
‘Ja, dat lijkt me heel mooi, een geel petje’.
‘Wat is een mooi geel petje, papa?’
Deze vragen op antwoorden kunnen eindeloos doorgaan en als ik niet oppas is elke toevalligheid, al is het een woord, aanleiding de gesprekken oneindig lang te maken. Ik probeer daar zorgvuldig mee om te gaan.
‘Daar is mama. Zou zij ook een petje willen?’. Tijs legt een derde legopoppetje voor zich neer en slaakt af en toe een kleine kreet tussen half afgemaakte zinnen. Geen spoor van het verdriet van afgelopen nacht.
Vaak als ik wakker wordt ’s nachts door een eend of een kat op het dak, dwaal ik door het huis, om te luisteren hoe het huis slaapt en enkel een tevreden zucht of kraak laat horen en hoe de maan zijn licht verzilvert tussen de stroken van halfopen jaloezieën.
Bij de kamer van Tijs bleef ik vannacht even staan. Door de openstaande deur hoorde ik hem zacht snikken. Zonder hem wakker te maken ging ik bij hem op het bed zitten. Tranen druppelden in de nek van Donald Duck en Buurman van Buurman, terwijl hij niet in de gaten had wat er gebeurde. Zeker tien minuten in de nachtelijke tijd waarin de wakkeruren wel veel langer lijken dan de gewone uren in de dag, heeft hij ontroostbaar zacht liggen huilen in zijn slaap.
Hij heeft geen verdriet, het verdriet heeft hem.
Nadat Tijs weer rustig was geworden bleef ik nog even in de keuken zitten en speelde zacht op zijn gitaar. Het ontbreken van een snaar en een duidelijke stemming leverde wonderlijke melodieën op, maar altijd kansloos om het daglicht te halen. Ik zuchtte even bij de gedachte dat Tijs de volgende dag opgehaald zou worden door zijn moeder en dat hij pas maandagmiddag weer terug zou komen van de dagopvang. Ik verheugde me op de afspraak met Anne Jan morgenmiddag. Vrijdag stuurde hij een app: Zaterdag 17.00 uur! Pannenkoeken! En ik speel! Ik speel luid! De mensen moeten dansen!
Tijs gaat mee met zijn moeder. Hij heeft er zin in. Ik ook. Bij het weggaan geeft hij mij een legopoppetje met een wit petje.
Het stof waait op als de zeis het gras befluistert en tijd en riet verslindt. Halverwege de middag ben ik klaar en moet ik opschieten. Om vier uur wil ik op de fiets zitten naar Anne Jan, waar luid gespeeld wordt met pannenkoeken.
Even na vieren fiets ik. Een klein dun draadje onder mijn stuur naar mijn remkabel. Een spinnetje reist mee.
Als ik fiets is het alsof de tijd stil staat en ik een voorsprong kan nemen. Een voorsprong op de voorbereiding op dat draadje dat eens doorgesneden gaat worden. Vaak ben ik net te laat, dan is een website gehackt, dan is het gras te lang en is het hout net te rot. Maar ben ik wel op tijd om een deadline te halen, om een omgevallen fiets weer overeind te zetten en om verdriet te zien. Om de onbekende wereld voor Tijs bekend te maken. Al is het soms met houtjes, touwtjes en legopoppetjes.
Anne Jan kiest er zelf voor steeds weer in onbekende werelden terecht te komen. Door in zijn werk alles aan elkaar te plakken kan het opeens een heel ander ding worden. Met plakband, met toeval, maar wel zorgvuldig. Hij kan zelf bepalen voortdurend ergens anders uit te komen. Of hij wist alles uit en begint opnieuw.
Ik merk dat ik niet genoeg gegeten heb. Ik vis fietsend een appel uit mijn fietstas.
De lange man naast mij trekt aan mijn pedalen bij iedere rondslag die ik maak en heft zijn hoofd omhoog bij elke boom die wij passeren waarbij hij mij zwijgend even aankijkt. Dief van mijn alleen-zijn hier en nu. Eén fluisterende zwaai geef ik hem terug en mik de half opgegeten appel die uiteenspat tegen het hoofd op de boom.
Tijs zou zich verliezen in dit ronddraaiend schaduwboksen op de grond van benen, trappers en lange lijven, tegen een boom fietsen, uit elkaar vallen en zoals uit de pitjes van de appel groeiden er overal Tijsbomen zonder ronddraaiende schaduwen, legopoppetjes als elzenkatjes zouden naar beneden vallen en we speelden het Willem-Ruis-vangspel.
Op de Rijksweg vlak voor het einde van de bebouwde kom ga ik de brug over en sla de eerste weg rechtsaf. De lange rij Japanse sierkers vol in de bloemen tussen al het geweld van betegelde voortuinen en asfalt, nu al licht bezaaid met de roze blaadjes.
‘Papa, het sneeuwt. Heb ik dan handschoenen nodig papa?’
‘Kan je roze sneeuw wel zonder handschoenen aanraken, papa?’
‘Heb ik het niet koud, papa?’
Anne Jan woont in de eerste van de nog twee overgebleven oorspronkelijke huizen in deze straat. Twee doornen in ogen, waar klaver en pinksterbloemen verborgen in het hoge gras het grindpad naar het huis van Anne Jan bijna verhullen. Ik neem de achterdeur. In de tuin staan stoelen en een enkele tafel. Een zwarte ronde cementbak tot de rand gevuld met koud water en vol met veel verschillende soorten blikken bier staat onder de appelboom. Vanuit de openslaande terrasdeuren komen de ijle klanken van de zangeres van Blonde Redhead me tegemoet.
‘Fijn dat je er bent. Je bent de eerste. Wil je een biertje?’. Anne Jan geeft mij lachend een hand.
‘Ja, is lekker, maar ik loop eerst even naar binnen, voor wat water’.
De grote bijkeuken is opgeruimd. De wasmachine draait. Lege spieramen onder een uitgeruimde plank met enkel alleen een pak Brillo zeeppads. In de keuken drink ik een glas water. Als ik weer buiten sta geeft Anne Jan mij een blik bier.
‘Straks ga ik een nieuw lied spelen. Het is niet af, maar ik vind het wel af. Nu eerst de pannenkoeken.’ Het laatste avondmaal, Anne Jan gaat verder, een meester in besluiten en structuur.
Ik prijs me gelukkig dat ik het lied mag horen. Het zal eenmalig zijn.
Even zit ik weer achter het drumstel, bij het afscheidsconcert van JIM & the birthdays, wat ook tevens het eerste optreden was. De korte liedjes van Anne Jan, onaffe instrumentalen en een gitarist die niet in staat was om een nummer hetzelfde te spelen. Een korte recensie in de Vera-krant staat me nog bij, als meest vermakelijke band met extreem rammelige pop, dissonanten, geschreeuw en dronkenschap.
Het is een zachte voorjaarsavond. De geur van pannenkoeken vermengt zich met de lichtwarme lentewind om ons heen. Anne’s tiental. We zijn bijna compleet. De laatste heeft laten weten dat ze er rond negenen zou zijn. Als de muziek stil valt, laten de merels vrijwel direct van zich horen. Anne Jan komt erbij zitten en legt zijn gitaar op schoot.
‘Dit waren voorlopig de laatste pannenkoeken.’
‘We hebben ook zeker genoeg gehad. Ik tenminste wel’.
‘Ik ga jullie verlaten. Ik ga naar Polen, bij Jasia wonen in Poznań’.
Zelfs de vogels leken zich even in te houden.
‘Echt? Jeetje, wanneer ga je dan?’, wordt voorzichtig gevraagd.
‘Volgende maand, 27 juni om precies te zijn’, zegt Anne Jan terwijl hij zijn gitaar stemt. Stemmen was iets wat hij eerder nooit deed.
‘Maar nu ga ik een lied voor jullie spelen. Het heet Pieśń trzciny! Dat is Pools voor Het lied van het riet. Het is een ode aan het riet. En alleen de titel is in het Pools, dus.’
‘Er mag gedanst worden.’
We kijken elkaar aan.
‘Vijf snaren, maar wel gestemd’, zegt hij en begint te spelen.
Anne Jan gooit deuren open, verlegt een witte stip op de horizon, zijn witte Renault Trafic, straks met Pools kenteken. En het riet dat gaat leven, dat begint te fluisteren en als eerste gaat zingen en waarin zich van alles afspeelt en niemand je ziet. Als je het maar met rust laat en het zijn tijd geeft.
‘Wij hebben fluisterend riet, soms met tranen, maar geen verdriet’.
Ik loop de tuin in en dans bijna gewichtsloos over het gras, als een kosmonaut.
‘Die helm kan nu wel af jongen, het is veel te warm’.
‘Heb ik het te warm, papa?’